Werkwoordspelling oefenen

Wil jij foutloos leren schrijven en werkwoorden altijd correct vervoegen? Met StudyGo oefen je stap voor stap met interactieve opdrachten, korte uitlegvideo’s en handige overzichten. Zo voorkom je veelvoorkomende fouten en beheers je de regels van de Nederlandse werkwoordspelling.

Oefenen met werkwoordspelling bij StudyGo

Werkwoordspelling kan uitdagend zijn, maar met een gerichte aanpak maak je snel vorderingen. Bij StudyGo vind je de belangrijkste thema’s verdeeld in overzichtelijke modules, zodat je altijd oefent aan dát onderdeel waar jij extra ondersteuning bij nodig hebt.

Basisregels van Nederlandse werkwoordspelling

De Nederlandse werkwoordspelling is gebaseerd op enkele basisregels. Ten eerste, bij de tegenwoordige tijd hangt de uitgang van het werkwoord af van het onderwerp: ‘ik’ vormen eindigen op een -t (behalve als de stam al eindigt op een -t), en ‘jij’, ‘hij’, ‘zij’, ‘het’, en enkelvoudige namen krijgen een -t. Bijvoorbeeld, ‘ik loop’, ‘hij loopt’. In de verleden tijd gebruiken we ’t kofschip: als de stam van het werkwoord eindigt op een -t, -k, -f, -s, -ch, of -p, dan is de verleden tijd en het voltooid deelwoord met een -te(n) of -ten, zoals ‘ik werkte’. Zo niet, dan met een -de(n) of -den, zoals ‘ik speelde’. Bij voltooid deelwoorden voeg je ‘ge-‘ toe aan het begin (tenzij het werkwoord een vaste voorvoegsel heeft zoals ‘be-‘, ‘ge-‘, ‘her-‘, ‘ont-‘, ‘ver-‘), zoals ‘gelopen’ of ‘gespeeld’. Deze regels vormen de basis van correcte werkwoordspelling in het Nederlands.

Veelgemaakte fouten en hoe ze te vermijden

’t kofschip-regel
Onjuist toepassen leidt tot fouten in de verleden tijd en het voltooid deelwoord. Controleer altijd de laatste letter van de stam.
Jij-vorm
Gebruik geen -t in vragen: “Loop jij?” (niet “Loopt jij?”).
d vs. dt
Let op: “hij wordt” versus “word jij?”.
Onregelmatige werkwoorden
Vervoeg onregelmatige vormen correct: “ik heb gewonnen” (niet “ik heb gewon”).

Het onjuist toepassen van ’t kofschip leidt tot fouten in de verleden tijd en het voltooid deelwoord. Dit kun je vermijden door goed te letten op de laatste letter van de stam van het werkwoord: bij ’t kofschip letters (t, k, f, s, ch, p) gebruik je ’te’ of ’ten’ voor de verleden tijd en ‘ge-‘ + stam + ’t’ voor het voltooid deelwoord, zoals ‘gewerkt’. Anders gebruik je ‘de’ of ‘den’ en ‘ge-‘ + stam + ‘d’, zoals ‘gespeeld’.

Een andere fout is het verkeerd vervoegen van werkwoorden in de tegenwoordige tijd, vooral met ‘jij’ achter het werkwoord. Bijvoorbeeld, het moet zijn “loop jij?” in plaats van “loopt jij?”. Let erop dat als ‘jij’ ná het werkwoord komt, de vorm zonder -t wordt gebruikt.

Daarnaast vergeten mensen vaak de -d of -t in de ik-vorm van de verleden tijd. Onthoud dat de ik-vorm gelijk is aan de stam in de verleden tijd, zonder extra toevoeging.

Ook wordt soms de fout gemaakt door het weglaten van de ‘ge-‘ bij het vormen van voltooide deelwoorden. Bijvoorbeeld, ‘gelopen’ in plaats van ‘lopen’.

Door deze regels consequent toe te passen en veel te oefenen, kun je deze veelvoorkomende fouten vermijden.

Tips van onze experts bij het oefenen van werkwoordspelling

Op StudyGo kun je eenvoudig en effectief werkwoordspelling oefenen. Er zijn specifieke oefeningen beschikbaar die aansluiten op jouw lesmateriaal, waardoor je direct kunt beginnen zonder iets over te hoeven typen. Start nu met het verbeteren van je werkwoordspelling!